Uw winkelmandje

Bekijk Mandje
uw mandje is momenteel leeg.

U kunt bij ons betalen met iDEAL

  iDEAL

 ABN Amro Rabobank Fortis bank ING Bank Postbank SNS Bank

Veilig, gemakkelijk en snel

Login






Wachtwoord vergeten?
Nog geen account? Maak er één aan!

Product Scroller

test
test
 Contacteer ons voor een prijsopgave

Eiken rookmot 2,5Kg E0/20
Eiken rookmot 2,5Kg E0/20
€8,95
Bestellen


Barbecue Rotondo
Barbecue Rotondo
€1 299,00
Bestellen


Rookoven Delfzijl
Rookoven Delfzijl
€449,00
Bestellen


Rookspaan Beuk 20/160
Rookspaan Beuk 20/160
€29,95
Bestellen


Producten zoeken

Producten

koudrookkast W2
koudrookkast W2
€738,00
Bestellen

Natural Spices

Home arrow Hout en het milieu
Hout stoken en het milieu Afdrukken E-mail

Onderstaande teksten bevatten een schat aan informatie aangaande het stoken met hout, hoe het gezellig te maken, hoe te besparen en tevens hoe het milieu te respecteren. Gezien de omvang van deze info werd deze onderverdeeld in twee groepen. De eerste met alle nuttige info aangaande energieverbranding vooral die van hout, het tweed deel van de info leert ons op een correcte manier te bezuinigen opdat wij en de natuur er wel zouden bij varen.

Het broeikaseffect
Het belangrijkste milieuprobleem waarmee de beschaving ooit mee geconfronteerd werd is het broeikaseffect. Zowel ontbossing, als de verbranding van fossiele brandstoffen is hiervan de oorzaak. Het broeikaseffect kan omschreven worden als een hoeveelheid kooldioxide en methaan dat in de hoogste lagen van de atmosfeer terecht komt, waar ze kan zorgen voor een geleidelijke opwarming van de planeet. Volgens bepaalde wetenschappers is deze opwarming van de aarde al begonnen en kan dit een stijging van het aantal milieu- en natuurrampen met zich meebrengen. In Europa alleen al zorgt de verwarming voor een totale uitstoot kooldioxide van 20 tot 35%. De beste manier om het broeikaseffect tegen te werken is te besparen op energie en het gebruik van biobrandstoffen, zoals hout. Bij de verbranding van hout wordt de kooldioxide die vrijkomt, gecompenseerd door de kooldioxide die nieuwe jonge bomen op hun beurt uit de lucht halen.

Energiebronnen
Een interessante manier om de nood aan bepaalde energiebronnen te reduceren is directe zonne-energie. In ons klimaat is het echter niet mogelijk om onze huizen te verwarmen enkel en alleen met actieve of passieve zonne-energie. Vooral in de winter is extra verwarming een must. De energiebron elektriciteit is heel milieuonvriendelijk en daarom ook af te raden. Meer dan de helft van de energie gaat immers verloren tijdens het transport van de centrale tot bij de gebruiker. Aardgas, kolen en stookolie, of met andere woorden fossiele brandstoffen, zijn deels verantwoordelijk voor de lucht-, water- en bodemvervuiling. Ook het broeikaseffect en de zure regen worden deels veroorzaakt door deze brandstoffen. Wanneer er toch voor fossiele brandstoffen geopteerd wordt is biomassa het milieuvriendelijkst. De tweede optie is aardgas omdat zij zich - in vergelijking met andere fossiele brandstoffen - het gemakkelijkst volledig laat verbranden. De milieuvriendelijkste energiebron bij uitstek is ongetwijfeld brandhout. Het probleem hierbij is echter dat het in de meeste landen nog ontbreekt aan milieuwetten en -normen omtrent de bosbouw. Houtwinning mag het bosleven niet verstoren, terwijl de houtvoorraden voldoende moeten blijven. Ook de verbrandingstoestellen moeten aan een betere reglementering onderworpen worden. Het is belangrijk dat er verder onderzoek gebeurt naar andere mogelijkheden van biomassa zodat er in de toekomst nieuwe toepassingen gevonden worden, zoals houtpellets.

Hout goed verbranden
Om hout goed te kunnen verbranden is er in eerste instantie brandhout nodig van een goede kwaliteit. Wat de rookgaskwaliteit betreft zijn accumulerende houtkachels en niet-accumulerende houtkachels met automatische luchtsturing of katalysatoren de beste optie. Accumulerende houtkachels vertonen het hoogste verbrandingsrendement voor wat betreft de energie- en houtbesparing. Voor gebakken steen, glas of metaal geniet natuursteen - gezien zijn ecologische evolutie- de voorkeur. Raadpleeg zeker onze milieubewuste stooktips om het milieu zo weinig mogelijk aan te tasten.



HET BROEIKASEFFECT

Binnenkort geen verwarming meer nodig?
Zoals het er nu naar uit ziet is de mensheid goed op weg om in een paar eeuwen tijd een hoeveelheid fossiele brandstoffen op te gebruiken waar de natuur miljoenen jaren heeft over gedaan om ze te produceren uit plantaardig en dierlijk afval. Door die massale verbranding komt een enorme hoeveelheid koolstofdioxide in de lucht vrij waardoor de natuur opnieuw miljoenen jaren zal nodig hebben om ze terug om te zetten in bruikbare fossiele brandstof. Het enige wat de mens kan doen om deze evolutie te versnellen is meer bos aanplanten zodat de koolstofdioxide-uitstoot kan gecompenseerd worden. Het is trouwens dat koolstofdioxide die in de atmosfeer als het ware een laag legt om de aarde. Deze laag is te vergelijken met het glas van een serre: ze laat de warmtestralen van de zon door, maar de teruggekaatste warmte niet. De teruggekaatste warmte van de aarde wordt dus niet doorgelaten waardoor er door het broeikaseffect of het serre-effect een geleidelijke opwarming van de aarde ontstaat. De gevolgen hiervan creëren een verstoord klimaat wat zich kan uiten in stormen en orkanen, overstromingen, mislukte oogsten, enz. Het broeikaseffect is voor wetenschappers nog steeds een punt van discussie. Toch raakt men steeds meer overtuigd van de reële aanwezigheid van het broeikaseffect. Een getuige daarvan is de toename van een reeks uitzonderlijke weerfenomenen. Nog nooit voorheen waren er zoveel windhozen en overstromingen waar te nemen en de voorbije tien jaar waren de warmste die we ooit meegemaakt hebben. Tenslotte heef men ook een effectieve opwarming van de aarde vastgesteld. Het is gewoon voor sommige wetenschappers nog niet helemaal duidelijk of de oorzaak te zoeken is bij het broeikaseffect of als alles draait om een natuurlijke stijging van de aardtemperatuur. De vraag of we binnenkort geen verwarming meer nodig hebben, mogen we beantwoorden met een duidelijke NEE als we denken aan de mogelijke gevolgen van het broeikaseffect voor mens, plant en dier. Verschillende plant- en diersoorten zullen met uitsterven bedreigd worden. Een verhoogd aantal natuurrampen is voor de hele mensheid een ware verschrikking en daarom moeten we er, milieuliefhebber of niet, echt iets proberen aan te doen. Jammer genoeg zullen er natuurlijk altijd zijn die hier proberen voordeel uit te halen.

Broeikasgassen
Koolstofdioxide (CO2) is het belangrijkste broeikasgas en zou verantwoordelijk zijn voor iets meer dan 50% van het broeikaseffect. Koolstofdioxide komt vooral vrij bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Op de tweede plaats door ontbossing. Op wereldschaal is de verbranding van fossiele brandstoffen verantwoordelijk voor ¾ van de CO2 uitstoot, ontbossing voor ¼. Het tweede broeikasgas is methaangas (CH4). De verspreiding hiervan in de atmosfeer is veel minder dan koolstofdioxide, maar toch aanwezig. Methaangas, waarvan een molecule in principe veel sterker inwerkt op het broeikaseffect dan een molecule koolstofdioxide komt vrij door gaslekken, rottend afval of uit de verteringsgassen van dieren en mensen. De groep van de CFK's, de chloorfluorkoolwaterstoffen is het derde voornaamste broeikasgas. Zij worden ook wel de ozongassen genoemd die verantwoordelijk zijn voor het "gat in de ozonlaag", maar zijn toch mede verantwoordelijk voor het broeikaseffect. Ze komen voor in koelkasten, spuitbussen en bij de productie van polystyreenschuim.

Verwarming en het broeikaseffect
De verwarming in onze huiskamer is in de Europese landen verantwoordelijk voor 20 tot 35 % van de totale CO2-productie. Dit betekent dat onze verwarming voor een tamelijk hoog percentage bijdraagt aan het broeikaseffect. We moeten dus absolute prioriteit stellen aan het verminderen van de kooldioxide-uitstoot door onze verwarming. Daarbovenop draagt de productie en het gebruik van aardgas als energiebron ook bij tot het broeikaseffect via gaslekken door de vrijkoming van methaangas. Momenteel is echter niet geweten hoe groot dit percentage is. Gaslekken wil men gelukkig tot het uiterste vermijden wegens brandgevaar en ontploffingen, maar bij het aanmaken van gasfornuizen en idem dito kachels komt toch altijd wel wat gas vrij.

Hernieuwbare brandstoffen dragen niet bij tot het broeikaseffect
De verbranding van een hernieuwbare brandstof - zoals hout - past volledig in het schema van de natuurlijke koolstofkringloop. Het gaat immers om een volledig natuurlijk proces dat zich voltrekt in het lichaam van verbranding van kool of afgeleide producten is immers een volkomen natuurlijk proces dat zich ook in het lichaam van de mens voltrekt. Dierlijke species nemen geaccumuleerde zonne-energie via planten in zich op waarna planten het op hun beurt weer opnemen als basisgrondstof voor het proces van de fotosynthese. Voor de verbranding van hout betekent dit het volgende: Door allerlei verrottingsprocessen wordt hout en houtafval afgebroken tot koolstofdioxide als het niet wordt gebruikt door de mens. Als we hout gaan verbranden komt er dus niet meer koolstofdioxide vrij dan in het natuurlijke proces. Bij die natuurlijke afbreking komt eigenlijk een belangrijke hoeveelheid methaan vrij dat eigenlijk veel schadelijker is voor het broeikaseffect dan als hout verbrand wordt, want dan komt er geen methaan vrij. We hadden het hier eerder over houtafval, maar gekapt hout heeft eveneens geen armslag op het broeikaseffect. Dit, welteverstaan, als er telkens voldoende nieuwe bomen aangeplant worden om te voorzien in het toekomstige houtverbruik. De nieuwe bomen nemen dan een evenredige hoeveelheid kooldioxide op als werd vrijgekomen door de verbranding van de vroegere bomen. De aanplanting van nieuwe bomen wordt dan ook beschouwd als de voornaamste taak van de bosbouwer in onze Europese landen. Er moet wel op toegezien worden dat de verbranding van kaphout evenredig verloopt als de aanplanting van nieuwe bomen. Een verhoogde aanplanting zou er immers voor kunnen zorgen dat er een te grote hoeveelheid CO2 uit de atmosfeer zou verdwijnen. Of er genoeg hout beschikbaar is in de wereld en in het bijzonder in België en Nederland wordt besproken in de delen "toekomst van biomassa" en "duurzame bosbouw".


ENERGIEBRONNEN

Isoleren is nodig
Vanuit een ecologisch standpunt bekeken moet elk gebruik van een energiebron geklasseerd worden als schadelijk voor het milieu. Dit ondanks de grote verschillen die bestaan tussen de energiebronnen onderling. Concreet betekent dit dat een goede isolatie prioritair is voor een goede en milieu verantwoorde verwarming. In het deel isolatie lees je meer hierover. Toch zijn er beperkingen die in acht genomen moeten worden bij het isoleren van een huis. Het is namelijk aangewezen dat er voldoende ventilatie voorzien wordt om een gezond binnenhuisklimaat te bekomen. De warmte die hierbij verloren gaat, moet dan ophaar beurt worden opgevangen.

Bijverwarmen is nodig
Om de behoefte aan bepaalde energiebronnen te reduceren is het interessant om rechtstreekse zonne-energie in te schakelen. Zonnepanelen zijn bijvoorbeeld absoluut niet schadelijk voor het milieu en dat geldt ook voor andere toepassingen om directe zonnewarmte in je woning te brengen. In ons klimaat is het echter niet mogelijk om onze huizen te verwarmen enkel en alleen met actieve of passieve zonne-energie. In de lente en de herfst kan directe zonnewarmte toch nog een verschil maken, maar in de winter is extra verwarming een must.

Elektrische verwarming is verspillend
De energiebron elektriciteit is heel milieuonvriendelijk en daarom ook af te raden. Meer dan de helft van de energie gaat immers verloren tijdens het transport van de centrale tot bij de gebruiker. Dan hebben we het hierbij nog niet gehad of de elektriciteit wordt opgewekt met kernenergie of andere brandstoffen. Elektriciteit dat uit zonne-energie of windenergie gewonnen wordt, is meestal niet voldoende om aan te wenden als verwarming. Met elektriciteit dat uit waterkracht gewonnen wordt, is het anders. In sommige landen zoals in Zweden is de elektriciteit dat uit water gehaald wordt voldoende om te gebruiken als verwarming. Daar is de keuze van die energiebron ook een ecologisch verantwoorde keuze.

Fossiele brandstoffen vervangen door biomassa
Fossiele brandstoffen dragen sterk bij tot het broeikaseffect door de grote productie van koolstofdioxide (CO2) dat dan terechtkomt in onze atmosfeer. Bovendien bevatten alle fossiele brandstoffen met uitzondering van aardgas een relatief grote hoeveelheid zwavel dat verantwoordelijk is voor het fenomeen zure regen. De productie en het transport van deze brandstoffen zijn eveneens enorm vervuilend. Denken we maar aan olierampen op zee en gaslekken die een effect hebben op het broeikaseffect. Net zoals het vrijkomen van kooldioxide een effect heeft op het broeikaseffect en het zwavelverlies op zure regen. De enige oplossing om deze effecten tegen te gaan zijn de fossiele brandstoffen vervangen door biomassa. Wanneer we praten over biomassa kunnen we stellen dat brandhout daarin een hoofdrol speelt, naast uiteraard nog vele andere toepassingen.


Duurzame bosbouw moet
Al beschouwd men het broeikaseffect als het grootste milieuprobleem ooit, toch is het niet het enige. Als we brandhout als een essentiële energiebron bekijken, is het aangewezen om de relatie mens - bos te herbekijken. (Zie het deel bosbouw). We moeten echter wel begrijpen dat men toch aan duurzame bosbouw kan doen terwijl het broeikaseffect niet kan tegengewerkt worden zonder het gebruik van de fossiele brandstoffen weg te nemen.

Hout goed verbranden moet
Hetzelfde is van toepassing voor de verbrandingstechnieken die men hanteert om hout goed te verbranden. Zo zijn er heel wat houtkachels en haarden die niet alleen belangrijke brandstof verspillen, maar ook schadelijke stoffen zoals koolmonoxide uitstoten. Als men houtverbranding wil inschakelen dan moeten de vele technieken onder de loep genomen worden en gebruikt worden om de vervuiling en brandstofverspilling tegen te werken. Zowel in België als in Nederland zijn er diverse merken die al goede technieken op de markt hebben gebracht. Meer hierover in de onderdelen rookgaskwaliteit en energiebesparing.

Aardgas is de praktische, tweede milieukeuze
Hout stoken is echter niet voor iedereen mogelijk, hoewel nieuwe houtproducten zoals pellets hier toch al aan tegemoet komen. Hout moet niet alleen kunnen gestapeld worden in een opslagplaats, maar moet ook tot bij de stookplaats kunnen gebracht worden. Bij een appartement op de twaalfde verdieping is dit bijvoorbeeld niet mogelijk en dan is aardgas de tweede keuze. Er is wel een bijdrage tot het broeikaseffect, maar ten opzichte van de andere fossiele brandstoffen laat aardgas zich het gemakkelijkst volledig verbranden. Meer hierover in het onderdeel rookgaskwaliteit.


BIOMASSA

Het magische jaar 2010 voor de Europese Gemeenschap
Om het broeikaseffect in te perken werden er voor het eerst internationale afspraken gemaakt op een wereldconferentie in Rio de Janeiro in 1992 die de naam "Earth Summit" mee kreeg. Deze afspraken werden nog meer uitgewerkt in december 1997 op de klimaatconferentie van de Verenigde Naties in Kyoto-Japan. De Europese gemeenschap beloofde toen om de productie van kooldioxide te reduceren met 8 % ten opzichte van de waarden van 1990. Dit zouden ze willen bereiken tegen 2008-2012. Deze beslissing kwam er eigenlijk naar aanleiding van de "White Paper on Renewable Energy Resources" van de Europese Gemeenschap in november 1997. Hierin stond vermeld dat het gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet augmenteren van 6 tot 12 % ten opzichte van de totale energieproductie tussen 1995 en 2010. Met andere woorden een verhoging van 74,3 Mtoe tot 182 Mtoe of maal de factor 2,5.

Biomassa en andere hernieuwbare energiebronnen
De hernieuwbare bronnen die we nu tot onze beschikking hebben zijn waterkracht, windkracht, zonne-energie en biomassa. Waterkracht kan binnen onze Europese grenzen in principe niet meer aangewend worden omdat de meeste mogelijkheden van het gebruik van waterkracht al toegepast worden. Er zijn ook politieke beperkingen betreffende de uitbreiding ervan omdat dit grote veiligheidsrisico's met zich kan meebrengen. Denken we maar aan de grote dammen die heel wat land beheersen. Windkracht en zonne-energie zullen in de toekomst belangrijker worden, maar de mogelijkheden blijven hier eveneens vrij beperkt. Biomassa is het enige wat nu nog overblijft en waar dan ook het meeste potentieel kan uitgehaald worden in Europa. Het eerder vermelde "White Paper" van de Europese Gemeenschap wil dan ook het gebruik van biomassa verdrievoudigen tussen 1995 en 2010. In 2010 moet er dus In dat magische jaar moet er dus 8,5 % van de totale energieproductie aangeleverd worden door biomassa. In 1995 bedroeg dit percentage 3,3 % . Met andere woorden een stijging van 44,8 Mtoe tot 135 Mtoe of maal de factor 3. Deze overeenkomsten brengen echter ook economische consequenties met zich mee. Sommige landen zullen heel wat mogen investeren om hun energie uit biomassa of andere hernieuwbare energiebronnen te halen. Anderen zoals bijvoorbeeld de Scandinavische landen, kunnen hun grote bosreserves aanslaan en hoeven daardoor niet zo nodig te investeren in de import van energiebronnen en zien ze toch hun handelsbalans verbeteren.

Soorten biomassa
De belangrijkste soorten biomassa zijn biogas uit afval, afval van land- en bosbouw en echte energiegewassen. Deze laatste, waaronder we brandhout kunnen plaatsen, moet ongeveer voor de helft van de energieproductie zorgen dat geïnd wordt uit biomassa. Zo stelt het White Paper. Hieronder volgt nog een korte uiteenzetting van de soorten biomassa die effectief kunnen ingeschakeld worden voor onze huishoudelijke verwarming.
Biogas
Biogas is in principe methaangas dat wordt verkregen via organisch afval dat op bacteriële wijze wordt omgezet. Het is echter weinig voor de hand liggend dat grote hoeveelheden biogas kunnen ingeschakeld worden voor de verwarming van woningen. Biogas wordt eerder aangewend om de elektriciteitsproductie te voorzien. Toch werden er al initiatieven genomen om biogas dat gewonnen wordt uit organisch afval in te schakelen voor de verwarming van appartementsblokken of wijken, maar voor aparte woningen is dit niet aangewezen. Men kan ook uit eigen afval biogas winnen en dat op z'n beurt verbranden, maar deze vorm van werken is niet echt populair, hoewel dit al een tijdje op de markt is.
Pellets en houtbriketten
Pellets zijn in principe kleine, lichte palletjes die gemaakt werden uit geperst houtafval dat afkomstig is van zagerijen. Voor de verdere evolutie van de huishoudelijke verbranding van biomassa vormen ze een belangrijk element. Niet alleen zijn ze heel gebruiksvriendelijk in vergelijking met brandhout, maar ze zijn ook heel licht wat de eigenlijke verbranding ten goede komt. Bovendien kunnen ze gemakkelijk in bovengrondse- of ondergrondse tank of in een brander worden geplaatst. In Zweden en Oostenrijk hebben de overheden het gebruik van pellets voor huisverwarming enorm aangemoedigd bij de bevolking, maar deze poging was maar deels succesvol. Houtbriketten worden eveneens uit geperst afvalhout vervaardigd. Het verschil met pellets is dat ze niet zo gebruiksvriendelijk zijn en ze zijn heel wat duurder dan brandhout. Hierdoor denkt men dat ze nooit echt optimaal zullen ingeschakeld worden bij de huishoudelijke verbranding.
Brandhout
In de landen waar het gebruik van houtpellets een groei kennen, zijn ook centrale verwarmingssystemen voor brandhout aan een opmars bezig. Bij deze systemen gebeurd alles automatisch uitgenomen de bijvulling die elke dag of om de twee dagen manueel moet gebeuren. Dit soort biomassa is populairder dan pellets en enkel en alleen om het feit dat brandhout als het ware vrij ter beschikking staat voor iedereen die een zaag kan hanteren, terwijl pellets aangekocht moeten worden. Hout branden wordt bovendien al miljoenen jaren gedaan en heeft een belangrijke sociale meerwaarde. Een gezellige sfeer wordt meteen geassocieerd met een houtvuur en niet met een blokkenvuur dat werkt op aardgas. Pellets slagen er ook niet echt in om deze typische gezellige sfeer te creëren. Het gebruik van brandhout wordt dus in vele landen beschouwd als een traditie wat de promotie van andere biobrandstoffen een stuk vermoeilijkt. Een promotieplan dat hier tegen in gaat, kan dan ook maar deels slagen. Een overschakeling op pellets zal dus maar succesvol zijn in gebieden waar het moeilijk is om brandhout te stockeren, bijvoorbeeld in steden. Op het platteland zal men dan logischer wijze brandhout verkiezen om de overgang van fossiele brandstoffen naar biomassa waar te maken. Milieuorganisaties opteren toch voor pellets boven brandhout omdat dit een ecologischer keuze blijkt te zijn. Nochtans is het ecologische verschil tussen beiden heel klein. Bij pellets zou het veel gemakkelijker moeten zijn om een volledige verbranding te krijgen door de ingesloten lucht. Maar met de bestaande technologie is een volledige verbranding bij brandhout ook perfect haalbaar. U leest meer hierover in het deel rookgaskwaliteit. Een ander voordeel van pellets volgens de milieuorganisaties is dat men een sterkere controle op de grondstofkwaliteit kan uitvoeren. Veel milieuonderzoekers denken dat de consument geneigd zal zijn om ook ander materiaal, dan brandhout te verbranden. Dit risico bestaat uiteraard, maar voorlichting en regelmatige controle kan dit euvel voorkomen. De "allesbrander" wordt in Europa nagenoeg niet meer gepromoot en heel wat houtkachels zullen na een tijdje schade oplopen wanneer er andere materialen dan hout in verbrand worden. Tenslotte vraagt de productie van pellets veel energie want de voorraad houtzaagsel is ook beperkt. Gelukkig kan men nog andere afvalbronnen hanteren. Zo kan er ook houtzaagsel gewonnen worden uit bijvoorbeeld vezelplaten die vooral in de bouw gebruikt worden. We kunnen dus besluiten dat brandhout voor de landelijke streken de meest uitgelezen brandstof is bij uitstek. In de steden kan men best kiezen voor pellets en biogas. Een aantal initiatieven, zoals bijvoorbeeld in Helsinki, tonen aan dat brandhout toch een mogelijkheid kan worden voor de bewoners van stedelijke gebieden. Het brandhout wordt dan geleverd in kleine hoeveelheden die gemakkelijk opgeslagen kunnen worden. Computerprogramma's houden dan het verbruik en de volgende leveringsdatum bij. Bij de verbranding van brandhout moet wel rekening gehouden worden met de brandhoutkwaliteit, de verbrandingstechnieken om de rookgaskwaliteit te verbeteren en de duurzame bosbouw.


TOEKOMST VAN HET BOS

De voorraden aan fossiele brandstoffen We weten dat er op een dag een eind zal komen aan de voorraden aardgas en petroleum. We mogen hopen dat deze voorraden nog 100 jaar zullen bestaan. In het eerste "Rapport van de Club van Rome" werd deze werkelijkheid al uitvoerig beschreven waardoor het ons niet nodig lijkt om hier nog verder over na te kaarten. Het feit is dat we het op een bepaald moment zonder zullen moeten stellen waardoor een overgang van fossiele brandstoffen naar een alternatief nakend is. Op die manier wordt een mogelijk tekort van deze fossiele brandstoffen nog even uitgesteld. België is momenteel al volledig aangewezen op het buitenland voor de levering van fossiele brandstoffen. Voor Nederland zou de overgang naar brandhout - rekening houdend met de aardgasvoorraden - een negatief effect hebben op de betalingsbalans. Heel belangrijk hierbij is het besluit van het rapport 'Nationale energieverkenningen 1990-2015' dat zegt dat de aardgasvoorraden in 2015 onvoldoende zullen zijn om de energiebehoefte in Nederland in te vullen. Invoer van aardgas uit onder andere Rusland zal nodig zijn.

Is er wel voldoende bos? Hout is dus onherroepelijk de hernieuwbare brandstof die in de toekomst kan aangewend worden. Als deze houtverbranding dan nog eens gebeurt in aangepaste toestellen is dit helemaal voor eeuwig, maar is er wel voldoende bos om deze tactiek eeuwig te kunnen toepassen? Het antwoord op die vraag is echter niet zo eenvoudig en zou minimum een uiterst gedetailleerde macro-economische studie vragen. Elke inschatting moet dus eerder als een indicatie beschouwd worden. Het "Fossil Free Energy Scenario" van Greenpeace beschrijft alvast enkele mogelijkheden om het brandhout zo efficiënt mogelijk aan te wenden voor huishoudelijke verwarming. Enerzijds heeft men het over een uitvoerige energiebesparing door ten eerste een goede isolatie en ten tweede verwarmingsapparatuur waarbij meer belang wordt gehecht aan zonne-energie en biobrandstoffen.

Het planetaire niveau
Zo'n 2 miljard mensen of met andere woorden een kleine helft van de wereldbevolking is op het gebied van verwarming volledig afhankelijk van biomassa. Bijvoorbeeld in de ontwikkelingslanden is ¾ van de bevolking afhankelijk van hout als energiebron. Het energieverbruik over de hele wereld wordt geschat op 9.000 miljoen T steenkoolequivalent, waarvan gemiddeld 2.250 miljoen T steenkoolequivalent voor verwarming wordt besteed. De gemiddelde opbrengst bij duurzame winning zou 3.300 miljoen T steenkoolequivalent opleveren en zou dus voldoende moeten zijn om de energiebehoefte op wereldschaal te dekken (2.250 miljoen T). Deze vaststelling komt voort uit het feit dat het landoppervlak op aarde ongeveer bestaat uit 30 % bos. Volgens de FAO zou de opbrengst hiervan jaarlijks teruggebracht worden op 6,6 miljard m3 hout of iets meer dan 1 m3 per inwoner. Rekening houdend met het verbrandingsrendement in moderne houtkachels (85-95 %) zou die 1 m3 per inwoner per jaar voldoende moeten zijn voor een klimaat zoals dat in Nederland of België. Koudere landen zullen inderdaad wel meer hout nodig hebben, maar daar staat tegenover dat een groot deel van de bevolking in tropische klimaten leeft, waar er geen verwarming nodig is. Wat wel niet ingecalculeerd is in deze berekening is de verspilling van brandhout en de invloed van verschillende economische en technologische toepassingen op het verbruik ervan:

  • Zo heeft een studie, die werd uitgevoerd in Canada waar heel wat bossen aanwezig zijn, dat houtafval 84% dekking kan geven van de behoefte aan hout voor huishoudelijke verwarming. Uiteraard is er daar wel een grote hoeveelheid hout voorhanden.
  • De open vuren die vooral in de Derde Wereld gehanteerd worden, hebben een verbrandingsrendement van maar 6 à 8 %. Met heel eenvoudige middelen kan men dit heel sterk laten toenemen.
  • In onze westerse samenleving worden ook nog heel wat open haarden gebruikt waardoor een rendement van 90% van de warmte via de schouw verloren gaat. Tegenwoordig is het beter een modernere versie aan te schaffen, want die verbruiken soms de helft minder hout.
  • Bij de productie van houtskool gaat ongeveer 20% van de houtproductie verloren waardoor 75% tot 90% van de warmte ook verdwijnt.

    Op wereldschaal bekeken kan men hout dus best gebruiken als basisgrondstof op voorwaarde dat men dit doet via duurzame houtwinning. Zelfs al kent de wereldbevolking een gestage groei, toch kan men hout blijven gebruiken, maar men moet hier wel mee rekening houden.

    Het bos in Nederland en België
    Al heel wat bos heeft moeten inboeten voor ondermeer de landbouw en wegenbouw. In België is er nog slechts 9% van de totale oppervlakte bebost. In onze buurlanden gelden de volgende percentages: in Nederland is ongeveer 335.000 hectare bebost of ook 9,1 % en in Duitsland 30,1%. We moeten hier wel bij vermelden dat er heel wat bossen vol met rottend hout liggen. De vraag moet wel per land gesteld worden volgens welk plan men gaat werken. Als België of Nederland er bijvoorbeeld voor kiest om de houtverbranding te promoten, moeten ze er ook voor zorgen dat er voldoende houtaanvoer is en dat er op dit vlak een kundig beleid gevoerd wordt. Mocht er in ons land of in Nederland toch een tekort aan hout ontstaan, zou dit niet echt een probleem zijn, want onze voorraad kan gemakkelijk aangevuld worden door onze buurlanden of zelfs de Scandinavische landen. Het is in ieder geval veel gemakkelijker dan dat we nu petroleum moeten importeren uit het Midden Oosten en aardgas uit Rusland of Algerije. Men zou eventueel een kooldioxidebelasting op fossiele brandstoffen kunnen heffen zodat de prijs van brandhout competitiever kan worden toegepast. Mocht men effectief overwegen om brandhout in te voeren, zal dit hoegenaamd de handelsbalans in Nederland of Belgie niet negatief beïnvloeden. Op lange termijn zal men zelfs, naast de stimulatie van de productiecapaciteit binnen andere duurzame energiebronnen, de eigen brandhoutvoorraden moeten laten toenemen om de productie van energie in eigen land te kunnen houden. Een periodieke invoer van brandhout zou dan genoeg zijn om de omschakeling van fossiele brandstoffen naar brandhout te bewerkstelligen. De schommelingen in de marktprijs zullen bij een groter gebruik van brandhout een dergelijk proces trouwens zelf op gang brengen.

    Milieu-impact bij de winning van brandhout
    We moeten onszelf niet wijs maken dat men ooit brandhout zou laten aanvoeren uit tropische regenwouden naar onze Europese landen. Onze buurlanden, met inbegrip van de Scandinavische landen, zouden voor voldoende houtvoorraad moeten kunnen zorgen. Voor wat brandhout betreft is er geen kwaliteitsverschil met tropisch hout. De transportkosten van tropisch hout zouden trouwens te zwaar doorwegen ten opzichte van de lagere marktwaarde die brandhout heeft. Wanneer we dus spreken over hout kappen, denken we volgens de Europese regelgeving terzake. Voor duurzame bosbouw zijn dan ook verschillende definities van toepassing gaande van kaalslag met herbebossing tot de gerichte houtkap. Kaalslag komt zelden voor in Europa. Selectieve houtkap is voor de kwaliteit van het bos en de verschillende plant- en diersoorten de beste optie. In tegenstelling tot wat men zou denken levert selectief houtkappen niet minder hout op dan kaalslag. De uitvoering ervan is wel duurder dan kaalslag. Ook al wordt een selectieve houtkap volgens het boekje uitgevoerd; het heeft in ieder geval een negatieve invloed op het bosleven. Vooral organismen die als leefwereld dode bomen hebben, verliezen hun woongelegenheid. Dit kan men ook gemakkelijk vergelijken met de recreatiefunctie. Commerciële selectieve houtkap is uit den boze in natuurparken, hoewel men er soms gebruik van maakt om bijvoorbeeld arme bodems arm te houden.

    Meer bos en duurzame bosbouw moet
    De grote vraag is wat er zou gebeuren met de bosgebieden in België en Nederland als men het gebruik van brandhout als huisverwarming zou aanmoedigen. In eerste instantie zou er meer bos zijn door overheidswetten die de overgang van landbouw naar bosbouw stimuleren en een regelgeving die de brandstofprijs verhoogt. Wat men in het achterhoofd moet houden is of dit wel de kwaliteit van het bos zou vrijwaren? Als men gewoon zijn gangetje mag gaan, zou dit in geen geval leiden tot selectieve houtkap. Vandaar dat de overheid ook bepaalde wetten moet stellen aan de bosbouw en men zou de selectieve houtkap tot vaste norm van kracht moeten maken. Het is wel een duurdere bosbouwmethode, maar als men de prijs van brandhout duurder zou maken, zou dit probleem ook opgelost zijn. Politiek gezien zou men dus het gebruik van brandhout moeten promoten en dit gekoppeld aan een strengere bosbouwregelgeving en een uitbreiding van de bosrijke gebieden. Het ene kan in principe niet bereikt worden zonder het andere. Trouwens hoe hoger het economische belang van het bos, hoe groter de kans dat dit het bos ook effectief ten goede komt.


    BRANDHOUTKWALITEIT

    Houtsoorten
    Naargelang de boomsoort is er weinig verschil te merken in het brandhout. De thermische waarde van volledig droog hout gaat van 5,1 kWh/Kg voor eik tot 5,3 kWh/Kg voor den en berk. Sommigen preferen hardhout omdat de vlammen zouden mooier zijn. Anderen kiezen dan weer voor lichtere houtsoorten die sneller branden. Voor een accumulerende houtkachel is het om het even welke houtsoort men gebruikt omdat men die kachel toch maar enkele uren moet aansteken om een ganse dag warmte te hebben. Bij kachels waarbij men constant hout moet bijvullen, kiest men best voor hardhout omdat dit langer brandt. Houtsoorten die heel goed branden zijn onder andere den of berk, maar bij oudere kachels of schoorstenen met trekproblemen worden ze best niet gekozen omdat ze meer roetafzetting veroorzaken.

    Droog gekliefd hout
    Wat veel belangrijker is dan de houtsoort is de droogheidgraad van het hout. Als er water in het brandhout zit, gaat er veel energie verloren tijdens het verbrandingsproces. Vers gekapt hout kan tot 50% water bevatten. Een absoluut maximum is 20%, maar 12% tot 15% is nog beter. De thermische waarde van hout bij 15 % vochtigheid bedraagt ongeveer 4,1 kWh/Kg. Brandhout wordt steeds doormidden gekliefd omdat de schors en het onderliggende hout niet zo gemakkelijk brandt als het binnenste hout. De verbranding gaat beter naarmate het gebruikte hout kleiner is en het contactoppervlak groter. Let er wel steeds op dat het houtafval dat je wilt verbranden niet bewerkt is met producten die schade kunnen toebrengen aan je eigen gezondheid of aan het milieu. Als je hierover twijfelt, kies je best het zekere voor het onzekere en ga je met je houtafval naar het containerpark. Brandhout haal je best een paar dagen voor je het gaat branden naar binnen. Als je het hout kan stapelen naast de houtkachel is dit ideaal. Op die manier ben je er zeker van dan het hout goed droog is voor je het gebruikt. Stoken met nat hout is ten sterkste af te raden.

    Tips bij de aankoop van brandhout
  • Met een accumulerende houtkachel, kies je best voor zachthout. Voor niet accumulerende houtkachels opteer je voor hardhout. Dit is de goedkoopste oplossing in beide gevallen.
  • Zorg ervoor dat het hout ten minste twee jaar heeft gedroogd en dat het gestapeld werd op een plaats waar geen regen het hout kon aantasten.
  • Vraag hout dat tweemaal doorkliefd werd (= 4 stukken) en kijk goed of de lengte van de stam wel in je kachel past.
  • Qua seizoen kiest u best voor de zomer om hout aan te kopen op voorwaarde dat je het kan beschutten tegen de regen.
  • Droog hout voelt licht aan en een aanvullende test om te weten dat het zeker droog is, is twee blokken tegen elkaar slaan. Hoor je een helder geluid, dan zijn de blokken droog.

    Het opslaan van brandhout
    Vers gekapt hout heeft dus twee jaar nodig om volledig te drogen. Om dit drogingproces optimaal te laten gebeuren, neem je best de volgende tips in acht:
  • Het hout droogt het best in een goed verluchte schuur of garage.
  • Het hout moet beschermd worden tegen regen en wordt daarom best bovenaan bedekt en op een plaats waar geen regen aankan. Hou rekening met overhangende bomen die ook regendruppels op het hout kunnen laten vallen.
  • Plaats het hout op paletten. Op die manier wordt het onderaan verlucht en kan het hout geen water opzuigen door een eventuele natte ondergrond.
  • Het hout wordt best gestapeld op een plaats waar veel wind is. Zorg ook dat de wind alle houtblokken kan bereiken door de blokken zo te stapelen dat er openingen in het hout zijn.


    ROOKGASKWALITEIT

    Op naar de volledige verbranding
    Als het op verbranding aankomt, probeert men al eeuwenlang ervoor te zorgen dat deze verbranding optimaal gebeurt zonder veel verspilling. Brandstof heeft immers altijd al veel moeite en geld gekost. De laatste jaren is dit economische aspect wel wat minder belangrijk geworden. Als men grote hoeveelheden brandstof kon besparen, was men er als de kippen bij. Na een tijdje verslapte de aandacht echter omdat er steeds minder grote hoeveelheden te besparen vielen. Dit gaat nu zelfs zo ver dat sfeerverwarmers zelfs geen moeite meer moeten doen om een volledige verbranding te bekomen, want dit is geen prioriteit meer. Het visuele aspect speelt nu een grotere rol. Vanuit een ecologisch standpunt gezien is er wel een groot verschil tussen verwarmingsapparaten die 90 %, 99 % of 99,9 % van een brandstof opbranden. De percentages die overblijven, respectievelijk 10 %, 1 % en 0,1 % wordt bestempeld als luchtvervuiling en speelt een grote rol wanneer we spreken om de luchtvervuiling in te dijken dat veroorzaakt wordt door de huisverwarming. Als men in een gebied bijvoorbeeld 1 miljoen verwarmingstoestellen heeft die elk zorgen voor een volledige verbranding van 99%, dan betekent dit dat er 200.000 kilo onverbrande brandstof in de lucht terecht komt. Bij een verbranding van 99,9% is dit maar 20.000 kilo. Een merkelijk verschil. We kunnen dus stellen dat de rookgassen die vrijkomen bij verbranding milieuonvriendelijk zijn en de bevolking ook niet ten goede komen. Rookgassen kunnen duizeligheid, irritatie van de luchtwegen, astma-aanvallen en kanker veroorzaken. Vooral koolmonoxide en onverbrande koolwaterstoffen zijn degene die roet in het eten komen gooien.

    Koolmonoxide
    Koolmonoxide (CO) is een gas dat zowel kleur- als reukloos is. Het is enorm schadelijk voor de mens omdat ons lichaam 300 maal liever CO opneemt in plaats van zuurstof. Deze CO-moleculen komen onmiddellijk terecht in ons bloed en linken zich aan de rode bloedlichaampjes. Die kunnen dan geen zuurstof meer opnemen en dit heeft nefaste gevolgen. Als er 40 % van de rode bloedlichaampjes aangetast zijn met CO raakt men bewusteloos en bij 65% is een hartstilstand mogelijk. Bij een geringere CO-besmetting zijn hoofdpijn, duizeligheid, lichte kortademigheid en een rode gelaatskleur de ongewenste effecten die bovendien het vaakst voorkomen bij luchtvervuiling door rookgassen. Dit dan nog eens aangevuld met andere vervuilende stoffen zoals smog tasten de leefbaarheidgraad in de steden aan en vooral astma-patiënten worden hiervan het eerste slachtoffer. Koolmonoxide wordt dus verkregen wanneer er geen volledige verbranding plaatsvindt, terwijl kooldioxide (CO2) juist ontstaat als er zich wel een volledige verbranding voltrekt. De hoeveelheid koolmonoxide in rookgassen geldt dan ook als een vaste constante om de volledigheid van een verbrandingsproces te meten. De grootste CO-vervuiler in Europa is echter niet onze huisverwarming, maar het verkeer.

    Teer en koolwaterstoffen
    De voorgangers van CO, die ook het gevolg zijn van een onvolledige verbranding, zijn Polyaromatische Koolwaterstoffen (PAKS). De stoffen die dan in de lucht vrijkomen zijn benzeen, tolueen, xyleen, benzo(a)pyreen, dibenzothiofeen, anthraceen,... De vervuiling met PAKS door de consument is slechts een klein deeltje van de grote koek. Verwarming is daarin wel weer verantwoordelijk voor het grootste deel. Houtkachels en open haarden die een onvolledige verbranding hebben, zijn een doorn in het oog voor de doelstellingen hieromtrent van de overheid. Het verkeer blijft anderzijds wel de grootste boosdoener en ook de bouwsector is niet onschuldig door het gebruik van PAKS-houdende grondstoffen en materialen.

    Brandstof en rookgaskwaliteit
    Het voordeel met brandstoffen in de gedaante van gas, dus ook aardgas is dat de verbranding aanzienlijk volledig is. Hierdoor is de CO-uitstoot redelijk laag en neemt men dan ook meer zuurstof op uit de lucht. Bij kachels die renderen op aardgas is er een CO-emissie van 0,001 tot 0,2 % en de laagste waarden bedragen 0,0005 %. Bij andere brandstoffen zoals de fossiele brandstoffen stookolie en steenkool, liggen deze waarden merkelijk een stuk hoger. In tegenstelling tot de verbranding van stookolie en steenkool, worden er bij de verbranding van aardgas geen PAKS gevormd. Dit is omdat de structuur van aardgas dit ook niet toelaat. Biogas levert hetzelfde effect omdat zowel aard- als biogas van structuur praktische hetzelfde zijn. Voor eventuele CO-waarden bij de verbranding van vloeibare biobrandstoffen zoals koolzaadolie zijn er nog geen metingen gebeurd. Koolzaadolie werd dan ook nog nergens ingezet voor de huiverbranding. Er is enkel weet van het gebruik van koolzaadolie in auto's en vrachtwagens in plaats van diesel. Hout is een vaste brandstof die opgebouwd is uit verschillende onderdelen. Enerzijds zijn er de niet-brandbare deeltjes, namelijk water en mineralen, vervolgens zijn er de vluchtige brandbare onderdelen of kleine koolstofverbindingen met een laag cellulair gewicht en anderzijds niet-vluchtige brandbare onderdeeltjes of grote koolstofverbindingen met een hoog cellulair gewicht. De vlammen ontstaan door de vluchtige onderdelen die als het ware ontweken worden door de hitte en waardoor er zich een ontvlambaar mengsel gaat vormen. Hier spreken we ook over de primaire verbrandingszone. Wanneer er geen volledige verbranding plaatsvindt, is dit meestal te wijten aan een te snelle verwerking van vaste of gasvormige brandbare deeltjes in de primaire verbrandingszone. Wanneer de vluchtige deeltjes uiteindelijk verbrand zijn, zal dan uiteindelijk oxidatie optreden van de niet-vluchtige bestanddelen.

    Rookgaskwaliteit bij de houtverbranding
    Dankzij de wettelijke bepalingen in de meeste Europese landen is deze CO-uitstoot aan banden gelegd en worden er maximum waarden toegestaan van 0,4-0,5 % CO. Gelukkig maar, want bij oudere houtkachels mat men soms een uitstoot met waarden van 4 tot 17,6 %. Accumulerende houtkachels zijn de beste en halen minder dan 0,1 % CO. Bij een onvolledige verbranding van hout komen er in de beginfase vooral koolwaterstoffen zoals benzeen, tolueen en xyleen. In de eindfase van de onvolledige verbranding worden dit PAKS of poly-aromatische koolwaterstoffen zoals onder andere benzo(a)pyreen, dibenzothiofeen of anthraceen. In een gewone kachel kunnen de PAK-waarden oplopen tot 200 mg/Kg. Volgens de wettelijke bepalingen is er nog een maximum van 40 tot 80 mg/MJ toegelaten met andere woorden een heel sterke reductie. Bij accumulerende houtkachels is het zelfs al niet meer nodig om deze waarden te meten, want de waarden voor koolwaterstoffen worden er niet hoger dan 10 mg/Kg. We kunnen dus vaststellen dat men al een grote technologische vooruitgang geboekt heeft bij de houtkachels. Niet alleen op technologisch vlak, maar ook andere factoren zijn belangrijk zoals de wettelijke bepalingen die steeds verder evolueren, de inspeling hierop van houtkachelproducenten en het toegenomen belang van het milieu dat nu als handig commercieel instrument kan bespeeld worden.

    Luchtregeling met bimetaalveren
    Een belangrijk facet om de verbranding volledig te laten verlopen is de toevoer van lucht. Deze luchttoevoer gebeurt in verschillende fasen. We spreken van primaire, secundaire en tertiaire luchtstromen. In heel wat kachels moet deze luchttoevoer nog manueel gebeuren, maar in de nieuwere gebeurt dit al volautomatisch op basis van bimetaalveren. Bimetaalveren zijn warmte gevoelige veren die de luchttoevoer automatisch regelen volgens de fasen waarin het verbrandingsproces zich bevindt. Luchttoevoer kan ook al elektronisch geregeld worden, maar de bimetaalveren zijn betrouwbaarder en goedkoper. Het is namelijk geen sinecure om de luchttoevoer manueel te regelen, want teveel lucht koelt het vuur af en te weinig lucht doet het vuur smoren. Smoorkachels waarbij de luchttoevoer beperkt wordt tot een minimum om het verbrandingsproces traag te laten verlopen, vervuilen de lucht in grote mate.

    Katalysatoren
    Tegenwoordig wordt het gebruik van katalysatoren om de naverbranding van rookgassen te bewerkstelligen steeds populairder. Deze katalysatoren zijn belegd op een soort keramieken honingraatstructuur en stimuleren de verbranding. Ze worden aangewend in niet-accumulerende houtkachels om een ideale rookgaskwaliteit te ontwikkelen. In accumulerende houtkachels worden ze meestal niet toegepast omdat ze niet voldoende bestand zijn tegen de hitte.


    ZURE REGEN

    Oorzaken en gevolgen
    We spreken van zure regen wanneer uitgestoten zwaveldioxiden, stikstofoxiden en ammoniak zich gaat vermengen met waterdamp in de atmosfeer. Hierdoor ontstaat er verzurende neerslag. De landbouw die vooral zorgt voor de productie van ammoniak is de grote boosdoener bij de ontwikkeling van zure regen. Zure regen wordt na het broeikaseffect als het tweede grootste milieuprobleem beschouwd, want meer dan 1/3 van de Europese bosgebieden heeft te lijden onder zure regen. Voor onze verwarmingssystemen zijn de verzurende zwaveldioxiden en stikstofoxiden belangrijk.

    Zwaveldioxide
    Onze huishoudelijke verwarming is in Europa verantwoordelijk voor minder dan 5% van de zwaveldioxide-uitstoot. Vooral verwarmingssystemen die werken met de fossiele brandstoffen steenkool en in mindere mate petroleum zorgen voor een SO2 uitstoot. Tegenwoordig gaat men bijvoorbeeld zware petroleum die tot 3% zwavel kan bevatten wel al ontzwavelen. Steenkool bevat ongeveer 1% zwavel. Bij brandhout ligt de waarde van de hoeveelheid zwavel meestal onder de waarneembare grens. Tijdens een onderzoek van 7 verschillende brandhoutsoorten was er maar één houtsoort (Douglas den) die zwavel bevatte en dan nog maar 0,1%. Bovendien is bij ander hout, bijvoorbeeld berk, aangetoond dat slechts 10% van het zwavelgehalte effectief het hout verlaat bij verbranding als zwaveldioxide. De rest blijft gewoon in de as. Houtverbranding is dus praktisch niet verantwoordelijk voor het zure regensyndroom.

    Stikstofoxiden
    Stikstofdioxide wordt gevormd door de stikstof in de brandstof en de lucht die vrijkomt na verbranding in combinatie met zuurstof uit de lucht. Stikstofdioxide komt vooral voor bij verwarmingstoestellen die geen goede uitlaat hebben voor verbrandingsgassen. Deze stikstofoxiden zijn in combinatie met organische koolwaterstoffen ook de oorzaak van ozon onder impuls van het zonlicht. Voor personen met CARA-problemen die in steden wonen, kan dit ernstige problemen veroorzaken bij warme temperaturen. Net zoals bij zwaveldioxide is ook hier de huiselijke verwarming niet de grootste veroorzaker, maar wel het verkeer. Wat de uitstoot van stikstofoxide betreft, is er in de verwarmingstoestellen weinig relevant verschil vast te stellen.


    LEVENSCYCLUS

    Toestel en brandstof
    Het verbruik van de brandstof is nog altijd het belangrijkst om de mate van milieuonvriendelijkheid te bepalen. Daarnaast wordt ook gekeken naar de productie en de afvalfase van het toestel, maar het gebruik primeert. Als we dus de levenscyclus van verschillende verwarmingstoestellen willen vergelijken en kijken welk effect dit op het milieu heeft, moeten we vooral het gebruik van deze toestellen in overweging nemen.

    Metaal
    Het produceren van metalen zoals staal en gietijzer vraagt heel wat energie en bovendien veroorzaken zware metalen een erge vervuiling van water, bodem en lucht. Gelukkig kan ijzer wel gemakkelijk gerecycleerd worden omdat men het van ander afval kan scheiden met behulp van een elektromagneet. Om ijzer dan opnieuw te smelten, kost dit weerom heel wat energie, maar het eindresultaat is wel waardevoller. Wat nog meer energie vergt dan ijzer is aluminium. Metalen die in extreme mate verhit werden, hebben maar een levenscyclus van minder dan 20 jaar.

    Glas
    De productie van glas vraagt heel wat energie, maar is niet zo vervuilend als metalen. Het winnen van kwartszand voor het maken van glas kan wel een effect hebben op dieren en planten die tijdelijk hun onderkomen verliezen. Warmtebestendig en keramisch glas kan samen met ander glas gerecycleerd worden. De levenscyclus van glas wordt bepaald op langer dan 20 jaar, zelfs wanneer het verwarmd wordt op extreme hoge temperaturen.

    Gebakken stenen en tegels
    Het bakken van stenen en tegels vergt eveneens heel wat energie, maar is ook niet echt schadelijk voor het milieu. Wel moeten dieren en planten ook even wijken bij het winnen van klei, maar dat wordt vlug weer hersteld. Wat wel milieuonvriendelijk kan zijn, zijn bepaalde pigmenten die meegebakken worden in tegels om die te laten glanzen. Niet- geglazuurde tegels kunnen nog opnieuw gebruikt worden als bouwpuin, maar herbakken is niet meer mogelijk. De levenscyclus wordt vastgesteld op 10 à 20 jaar.

    Natuursteen
    Speksteen wordt het meest aangewend als kachelmaterie en vraagt heel weinig energie om die te produceren. Door de winning van natuursteen, moeten dieren en planten eveneens even wijken, maar kan de natuur zich gemakkelijk herstellen. Het speksteenpoeder dat ontstaat bij het verzagen van de stenen wordt gebruikt als onderdeel van vaste cement. Speksteen kan eveneens hergebruikt worden, zelfs voor andere toepassingen met speksteen. Speksteen is dus heel waardevol en kent een lange levenscyclus. Ongeveer 100 jaar kan de materie ongewijzigd en duurzaam blijven.


    MILIEUBEWUSTE STOOKTIPS

    Stooktips : het voorbereiden van houtvuur en schoorsteen
  • Zet een raam open bij het aanmaken van een houtvuur zodat er ruimschoots lucht kan toegevoerd worden. Een houtvuur verbruikt immers veel verbrandingslucht.
  • Het is aanbevolen om geen vochtige en een goed gereinigde schoorsteen van een aanzienlijke hoogte te gebruiken. Let er op dat de schoorsteen ook eventueel beschermd is tegen valwinden.
  • De schoorsteen moet voldoende trekken. Je test dit best eens met een lucifer of een propje papier, want zelfs bij een normaal trekkende schoorsteen kan de luchtstroom zich plots keren. Dit gebeurt wel eens wanneer de buitentemperaturen hoger ligt dan de binnentemperatuur.
  • Trekproblemen komen heel vaak voor bij schoorstenen die aan de buitenkant van de woning gevestigd zijn en niet voldoende geïsoleerd zijn.
  • Wanneer de schoorsteen of zelfs de kachel voorzien is van een klep moet die open staan om een goede trek te garanderen.
  • Accumulerende houtkachels geven onmiddellijk trek, wanneer ze nog warm hebben van de vorige dag te branden. Als deze houtkachels al enkele dagen niet meer gewerkt hebben is het belangrijk om eerst te kijken of de schoorsteen wel voldoende trekt. Een handige manier om dit te weten is enkele proppen papier zo dicht mogelijk bij de schoorsteen laten opbranden. Probeer ze hoog mogelijk in de kachel aan te brengen. Sommige kachels hebben ook een speciale klep waar je papier kan branden of bij sommige kachels moet je het papier onderaan de kachel branden. Door deze handeling uit te voeren wordt de koude lucht doorheen de schoorsteen naar buiten gestuwd zodat je onmiddellijk weet of de schoorsteen trekt. Als dit geen effect heeft laat je de schoorsteen best eens nakijken door een professioneel. Wanneer je zeker bent van de trek van de schoorsteen, maak je zo snel mogelijk het vuur aan, want anders is er kans dat de luchtstroom zich gaat keren.
  • De luchttoevoer naar het effectieve vuur in de kachel moet ook gevrijwaard worden. Let hierbij vooral op dat het rooster dat zorgt voor de luchttoevoer niet bedekt is met as of dat de aslade niet vol is. Stooktips : het aanmaken van een houtvuur
  • Probeer enkel natuurlijk materiaal aan te wenden om een haardvuur aan te steken. Hierbij denken we aan kleinhout, schors of aanmaakblokjes die op natuurlijke wijze vervaardigd zijn. Krantenpapier is heel efficiënt, maar niet milieuvriendelijk door de inkt op het papier. Andere materialen zoals paraffineblokjes zijn eveneens niet aan te raden.
  • Bij accumulerende houtkachels die de dag voordien nog gebrand hebben, kunnen gemakkelijk weer aangemaakt worden met een prop papier of wat berkenschors.
  • Wanneer de kachel voorzien is van een hoog brandoppervlak plaats je de houtblokken best rechtop tegen mekaar of tegen de achterwand. Bij een laag, diep of brede brandplaats in de kachel plaats je de blokken best in rijen met een afwisseling van richting.
  • In Europa legt men steeds het best brandbare hout onderaan en daarbovenop de dikkere houtblokken. In Amerika gaat men omgekeerd te werk omdat men er van overtuigd is dat men zo minder vervuiling veroorzaakt. Kleine vlammen onder dikke blokken leveren blijkbaar minder vluchtige houtcomponenten op. Het duurt hier wel een stuk langer vooraleer het warmte-effect optreedt.
  • Zorg ervoor dat de verbrandingslucht elke houtblok goed kan bereiken. Een hele stapel hout opwerpen is dus geen oplossing.
  • Bij het aanvullen van hout in het verbrandingsoppervlak van de kachel, mag deze de eerste keer maar maximaal voor de helft gevuld worden. Daarna maximum voor 2/3.
  • Tussen het hout moet er ook steeds voldoende plaats zijn zodat de verbrandingslucht aan iedere houtblok kan.
  • Let er steeds op dat er luchttoevoer mogelijk is door de kleppen aan de kachel open te zetten. Zet eventueel ook een raam open.
  • Nu ben je klaar om eerst het meest brandbare materiaal aan te steken. Laat eventueel de kachel- of haarddeur nog even openstaan op een kiertje. Stooktips : het bijvullen en sturen van een houtvuur
  • De luchttoevoer mag verminderd worden eenmaal de kachel goed brandt, want anders gaat de verbrandingstemperatuur te sterk dalen. Bij accumulerende houtkachels die de vorige dag gebrand hebben, kun je de luchttoevoer al na 5 minuten verminderen. Bij andere kachels pas na een kwartier à een half uur.
  • Er zijn verschillende manieren mogelijk om de luchttoevoer te verminderen, maar dit is afhankelijk van het soort kachel. Bij sommige gebeurt dit volautomatisch wanneer ze bimetaalveren hebben. Bij andere gebeurt dit manueel. Je kijkt dan best naar de vlammen om de luchttoevoer te regelen. Als de vlammen plots heel klein worden, heb je de luchttoevoer teveel verminderd.
  • Bij een open haard gooit men wel eens een blokje erbij om het vuur constant te houden, maar dit is wel niet zo milieuvriendelijk.
  • Wanneer de houtstapel half is opgebrand, mag men een nieuwe portie hout voorzien. Let wel dat het brandoppervlak nooit voor meer dan 2/3 gevuld wordt.
  • Enkel echte verbrandingsas mag je door het rooster duwen wanneer je denkt dat het rooster verstopt zit; geen brandende houtskolen.
  • Een algemene regel is dat al het hout in de brandruimte van de kachel moet branden. Rokende of dampende blokken zijn blijkbaar te ver verwijderd van het epische brandcentrum of krijgen te weinig lucht. Het is ook niet aan te raden om constant de deur van de kachel of haard te openen om te poken, want dan daalt de temperatuur van het vuur constant.
  • Om de controleren of de verbranding goed verloopt, kijk je best eens naar de rook die buiten uit de schoorsteen komt.Bij een grijze, lichte rook is de verbranding goed. Bij zwarte of donkergrijze rook zijn er teveel deeltjes in het vuur die onverbrand blijven.
  • Om na te gaan of je niet teveel warmteverlies hebt, kun je een thermometer in de schoorsteen hangen. De temperatuur van de rookgassen die door de schoorsteen gaan, moeten minimum een temperatuur van 180 tot 200 °C hebben. Is dit niet het geval dan kan er condensatie in de schoorsteen optreden, waardoor er ook een warmteverlies optreedt. Bij elke verbranding, zelfs van een droge brandstof zoals aardgas komt waterdamp vrij, maar dit mag dus niet te veel zijn.

    Stooktips : het afsluiten van een houtvuur
  • Het moment dat er alleen nog gloeiende houtskolen overblijven, mag de luchttoevoer verder verminderd worden. Let wel dat de kolen niet gaan roken, want dan is de luchttoevoer te fel verminderd.
  • Probeer de gloeiende houtskool zo dicht mogelijk bijeen te brengen voor een optimale verbranding.
  • De luchttoevoer mag pas volledig afgesloten worden als alle houtskool is opgebrand.
  • Bij accumulerende houtkachels sluit je gewoon de klep af zodat de verkregen warmte niet kan ontsnappen. Let wel dat deze klep nooit volledig kan afgesloten worden en dit om de schoorsteen droog te houden en koolmonoxidevergiftiging te voorkomen. Stooktips : houtasse nuttig gebruiken
  • De as van hout kan men nog gebruiken als meststof voor planten. Houtasse bevat namelijk mineralen, kalium en magnesium die de planten ten goede komen. In combinatie met compost wordt die weldoende werking nog versterkt.
  • Als u geen tuin hebt, doet u uw asse best naar het containerpark. Daar vermengen ze dan zelf de asse met groenafval om te gebruiken als meststof in andere tuinen.
  • Asse bewaar je best in een brandvrije afgesloten bak.

    Stooktips : gaskachels
  • Bij de meeste gastoestellen wordt alles automatisch geregeld.
  • Bij gaskachels waar men toch nog alles manueel moet regelen, moet men er steeds opletten dat de vlammen blauw kleuren. Zijn de vlammen bij verbranding geel, dan moet de kachel bijgeregeld worden. Je kunt het toestel door een professioneel laten regelen dat de vlammen steeds blauw zijn.
  • Als de vlammen van de brandkoppen wordt geblazen, is de luchttoevoer te sterk en moet die verminderd worden.
  • Probeer zo snel mogelijk een steekvlam te ontwikkelen met de ontsteker zodat er niet te veel gas kan ontsnappen. Wanneer blijkt dat een moeilijke opdracht is, moet men best eens het ontstekermechanisme laten nakijken.
  • Zorg ervoor dat u in uw woning steeds energiebesparend denkt.


    NORMEN EN WETTEN

    Nederland
    Het Koninklijk Besluit van 1997, namelijk 'Besluit typekeuring houtkachels luchtverontreiniging koolmonoxide', geeft 0,6 % koolmonoxide (CO) op als norm op voorwaarde dat er 13% O2 en droge rookgassen aanwezig zijn. Alle toestellen die op de markt gebracht worden, krijgen een TNO-keurmerk. Een VHR-keurmerk van de Vereniging Haard en Rookkanaal geldt ook omdat het door TNO gecontroleerd wordt. Met deze regelgeving treedt Nederland in de voetsporen van Duitsland waar de DIN-norm van kracht is en waar al heel wat toestellen in Nederland aan voldoen. Er zijn in Nederland bovendien ook al toestellen die het al beter doen dan de voorgestelde milieunormen. België
    België heeft nog geen rechtstreekse milieunorm voor kachels en haarden. Andere landen
    In Duitsland heeft men de DIN 18891 norm die vastgesteld is op 0,4 % CO. Deze norm geldt tevens ook als veiligheidsnorm. Daarnaast zijn er ook enkele privé-initiatieven van kracht zoals de norm van het Baubiologisch Institut Rosenheim die het gebruik van ecologisch verantwoorde en onschadelijke grondstoffen garandeert.

    Voor de vaststelling van haar normen concentreert Zweden zich vooral op koolwaterstoffen, met een maximum van 40 mg/MJ.

    De strengste milieunormen zijn die van Oostenrijk die het volgende bepalen: 1100 mg/MJ CO, 100 mg/MJ NOx, 80 mg/MJ koolwaterstoffen en 60 mg/MJ deeltjes.






    ENERGIE BESPAREN - SAMENVATTING

    Kiezen voor sfeerverwarming en daarbij een toestel dat ook nog eens de nodige warmte voortbrengt die nodig is, klinkt ideaal. De warmte die verkregen wordt, levert op zijn beurt dan ook nog eens extra sfeer en plezier. De meest interessante manier om aan energiebesparing te doen is warmteaccumulatie. Alle warmteaccumulerende kachels staan borg voor een laag energieverbruik en sommige produceren daar bovenop nog eens energiezuinige stralingswarmte.

    Bij het verbrandingsrendement van een verwarmingstoestel gaat het over de hoeveelheid warmte die in de brandstof aanwezig is ten opzichte van de hoeveelheid warmte waar het verwarmingstoestel voor zorgt. Bij sfeerverwarming zijn deze hoeveelheden evenredig, maar wanneer men een centrale verwarmingsketel in een garage of kelder heeft staan, kan de berekening van het nuttige rendement een enorm verschil betekenen.

    De stooktips om aan energiebesparing te doen, komen voor een groot stuk overeen met de milieubewuste stooktips. Het is enkel nog een extra duwtje om de verwarmingskosten nog wat te kunnen drukken. Belangrijke factoren hierbij zijn de afschrijving van de aankoopkosten en de verbruikskosten. Op lange termijn bekeken zijn de accumulerende houtkachels en moderne metalen houtkachels de beste optie. Open haarden en verwarming op elektriciteit scoren het slechtst.

    Wat de normen en wetten betreft op sfeerverwarming is er nog veel werk aan de winkel. In België zijn deze onbestaande en in Nederland wordt alles met een korreltje zout genomen. Niet alleen moet men kiezen voor een energiebesparend toestel en idem dito verbruik, maar ook het aspect isolatie is hierbij heel belangrijk.


    NORMEN EN WETTEN

    Nederland Het Koninklijk Besluit van 1997 'Besluit typekeuring houtkachels luchtverontreiniging koolmonoxide' eist een verbrandingsrendement van minimum 60 %.

    België In België is een wet of norm in verband met het verbrandingsrendement voor kachels en haarden onbestaande.

    Andere landen In Duitsland geldt de DIN 18891 zowel als milieu- en als veiligheidsnorm. Deze norm stelt een verbrandingsrendement van 65% voorop.


    ISOLATIE EN VENTILATIE

    Ventileren moet Kenners in de bouwsector geven aan dat de lucht zeker één maal per uur volledig ververst moet worden. Dit lijkt niet zo veel als we bedenken dat we in rusttoestand dagelijks 100 m3 lucht in- en uitademen. Stel je voor dat er 100 m3 lucht aanwezig is in je woning. Bij een volledige luchtverversing per uur betekent dit dat je 4% lucht twee maal gaat inademen. Als je bijvoorbeeld maar één luchtverversing om het vier uur inschakelt bedekt dit dat je al 16% lucht tweemaal inademt en dat maakt al een groter verschil. Daarbovenop stijgt de condensatie enorm in een woning waar niet één maal per uur de lucht ververst wordt. Dergelijk tafereel vormt een broeinest voor huismijten en schimmels en kan allergische reacties veroorzaken komen vooral astmapatiënten niet ten goede. Om deze redenen is het aangewezen om regelmatig te ventileren. Nadeel hierbij is dat er veel energie verloren gaat. Om dit te compenseren kun je warmtewisselaars inschakelen waarmee je een stuk van de warmte die naar buiten gaat, kunt overplaatsen op de lucht die naar binnen komt. In de naar buiten gaande lucht kan overdragen op de binnenkomende lucht. Een andere optie is verwarmingstoestellen met energiezuinige stralingswarmte die de warmte gaan opslaan in de muren van de woning in plaats van in de kamerlucht. Om op een efficiënte manier te ventileren, kan men het best de ventilatie spreiden over de dag waarbij een continue aanvoer van verse lucht mogelijk is in plaats van nu en dan alle deuren en ramen open te zwieren.

    Isoleren moet Als u echt energie wil besparen, mag u hierin heel ver gaan en mogen de wettelijke normen in extremis toegepast worden. Wij gebruiken bijvoorbeeld maar 8 cm spouwisolatie, maar in sommige landen zoals in Finland is dit 25 cm. Het is er inderdaad een stuk kouder, maar er wordt ook heel wat energie bespaard . Bij ons zou dit hetzelfde positieve resultaat opleveren. Om de warmtegraad van uw woning te bepalen, kan dit op de volgende manier: Warmteverlies muren/daken/vloeren + warmteverlies ventilatie = warmte uit zonlichtinstraling + warmte door verwarming + warmte uit andere bronnen Warmte uit andere bronnen kan bijvoorbeeld afkomstig zijn van het lichaam van de huisgenoten of elektrische toestellen die bij gebruik wat warmte afgeven. Bij warm weer vervalt die factor zodat u dit onderwerp eigenlijk best niet inschakelt. Hoewel de warmte van bijvoorbeeld lampen een merkbaar verschil kunnen geven. Warmte door zonnestralen kan vooral bij een nieuwbouw een aanzienlijk verschil maken voor wat betreft de warmtewinst. Vraag dit best eens na bij biobouwarchitecten. Warmtewinst is verder nog mogelijk door het warmteverlies in te dijken dat via ventilatie of via daken, muren en vloeren ontsnapt. Hou wel rekening met de eerder aangehaalde ventilatiebeperkingen die een weerslag kunnen hebben op de gezondheid van de bewoners. We kunnen hieruit dus vooral besluiten dat men enorm veel aandacht moet besteden aan isolatie voor muren, daken en vloeren. Hieronder vindt u een overzicht van de gemiddelde warmtegeleiding in een aantal belangrijke bouwmaterialen. Er zijn wel verschillen mogelijk naargelang het merk:

    MateriaalW/mK droog
    Marmer2.300
    Beton2.000
    Kalkzandsteen0.900
    Glas0.800
    Baksteen0.650
    Geëxpandeerde kleiblokken0.410
    Cellenbeton0.290
    Hout0.170
    Houtwolcementplaat0.090
    Geëxpandeerde perliet0.058
    Papiervlokken-isolatie0.045
    Geëxpandeerde kurk0.042
    Mineraalwol/glaswol0.041
    Papier/jute-matten0.040
    Geëxpandeerde polystyreen0.038
    Polyurethaanschuim0.027


    Uit bovenstaand overzicht is het dus wel meer dan duidelijk dat de materiaalkeuze essentieel om de nodige warmte te garanderen. Niet alleen het materiaal op zich, maar de vochtigheidsgraad van deze materialen speelt een belangrijke rol. Dit blijkt vooral uit onderstaand overzicht. Hier kunnen deze cijfers ook opnieuw variëren qua merkkeuze:

    MateriaalW/mK droogW/mK vochtig% extra verlies
    Marmer2,3002,90026
    Beton2,0002,50025
    Kalkzandsteen0,9001,40056
    Glas0,8000,8000
    Baksteen0,6501,00054
    Geëxpandeerde kleiblokken0,4100,62051
    Celbeton0,2900,44052
    Hout0,1700,23035
    Houtwolcementplaat0,0900,210133
    Mineraalwol/glaswol0,0410,0447


    Niet alleen isoleren, maar dus ook de luchtvochtigheid onder controle houden is van groot belang voor het behoud van warmte. Hierbij is het gebruik van stralingswarmte en isolatiemateriaal dat dampdoorlatend is, zonder nat te worden nodig voor een optimale luchtvochtigheid.


    ISOLATIE BIJ STRALINGSWARMTE-TOESTELLEN

    Wand-, vloer- en dakisolatie
    Een stralingswarmte-toestel zoals de accumulerende houtkachels gaan veel vlugger warmte opslaan in de wanden van de woning waardoor men daar een goede isolatie moet voorzien. Hiervoor kan men reflecterende folies inschakelen die de infraroodstralen van stralingswarmtetoestellen gaat weerkaatsen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze methode enkel echt efficiënt is wanneer ze kunnen bevestigd worden achter een toestel dat tegen een buitenmuur geplaatst wordt. Dan kan veel warmteverlies worden voorkomen. De hele muur inkapselen met een dergelijke folie is nu ook weer niet aan te raden. Niet alleen komt het visuele aspect niet tot zijn recht, maar de muur kan in dit geval ook niet meer optreden als warmtebuffer. Dit is wel nodig in een huiskamer waar stralingswarmte van toepassing is omdat men anders geen stabiele temperatuur krijgt en de warmte omgezet wordt in luchtwarmte. Zo'n warmtebuffer moet helemaal niet dik zijn en de isolatiegraad van het gebruikte materiaal is ook niet zo belangrijk omdat het oppervlak zo groot is. Een simpele plaat in gips of een stenen of houten muur kan al voldoende zijn op voorwaarde dat er daar achter een hele goede wandisolatie voorzien wordt. Reflecterende folie verwerken in die wandisolatie zorgt er niet extra voor dat de stralingswarmte binnenblijft. Zodra de binnenwand de infraroodstralen opneemt, worden ze al overgezet in geleidingswarmte. Reflecterende folie opgenomen in wandisolatie kan bijvoorbeeld wel interessant zijn bij een spouw of achter plaatmateriaal. De overdracht van warmte gebeurt dan deels door stralingswarmte, maar hangt niet af van de warmte dat geproduceerd wordt door het verwarmingstoestel. De mate van isoleerbaarheid die gebruikt worden voor de wandopbouw is van essentieel belang voor de bepaling van de isolatiewaarde van een woning. Leembouw werkt bijvoorbeeld veel effectiever dan baksteen. Het soort materiaal is niet belangrijk om stralingswarmte te kunnen opnemen. Muren kunnen sowieso altijd een hoeveelheid warmte opslaan. Bij stralingswarmte is het ook belangrijk om vloerisolatie te voorzien. Hoewel stralingswarmte vooral zijdelings op de wanden valt, is het mogelijk dat er ook een deeltje richting vloer of plafond gaat. Bij vloerisolatie is het principe hetzelfde als bij wandisolatie. Er worden enkel andere materialen gebruikt. Hetzelfde is van toepassing voor dakisolatie, maar vooral als stralingswarmte gebruikt wordt rechtstreeks onder het dak of in de kamers onder het dak. Dakisolatie is niet zo belangrijk als er onder het dak convectiewarmte gebruikt wordt en op het gelijkvloerse stralingswarmte. Ten opzichte van convectiewarmte gaat er dan veel minder warme lucht naar boven gaan.

    Raamisolatie
    Indien u kiest voor een verwarming met stralingswarmte let u er best op dat deze stralingswarmtebron zich niet te dicht bij vensters staat, want er kunnen zich infraroodlekken vormen. Ramen die zich toch dichter dan 4 meter van die bron bevinden, kunnen best speciaal aangepakt worden, want infraroodstralen worden toch door glas doorgelaten. Enkel glas van 4 mm dikte laat bijvoorbeeld tot 88 % van de infraroodstraling door. Het gaat hier wel enkel over de warmte die in die richting gestraald wordt, maar dat is toch een aanzienlijke hoeveelheid. Bij dubbel glas is dit maar 50 % meer. Wanneer hier nog een onzichtbare reflecterende laag bijkomt, wordt dit verlies al ingeperkt tot 27 % . Als dit dubbele glas dan nog eens met argongas gevuld is, komt men maar aan 21 % meer. In vergelijking met de kostprijs voor deze aanpak is de energiewinst die men ermee bereikt toch maar eerder beperkt.


    NUTTIGE WARMTE

    Warmteverliezen in kelder, garage,...
    Mensen die verwarmen met centrale verwarming plaatsen de verwarmingsketel meestal in een ruimte waar niet geleefd wordt zoals de garage of de kelder. De warmte die hierdoor wordt afgegeven betekent een verlies. Met nuttige warmte wordt dan ook de warmte bedoeld in de ruimten waar effectief gewoond wordt. Het verbrandingsrendement van een moderne centrale verwarmingsketel is relatief hoog, maar toch niet in verhouding met de nuttige warmte omdat ze juist in een onbewoonde leefruimte worden geplaatst. Sfeerverwarmingstoestellen worden steeds opgesteld in ruimten die druk bewoond worden en hier is het verbrandingsrendement dan ook gelijk aan de nuttige warmte.

    Het verbrandingsrendement en het nuttige rendement van verwarmingstoestellen
    35 % van de aangevoerde warmte bij een klassieke centrale verwarmingsketel gaat verloren in de plaats waar ze opgesteld wordt. Bij de modernere versies is dit nog 20 %. Deels kan men dit warmteverlies nog staven door de bescherming van die ruimten tegen vorst in te roepen, maar daar is slechts een minimum van dit energieverlies voor nodig. Hieronder vindt u een overzicht van diverse toestellen waarbij hun verbrandingsrendement in vergelijking gebracht wordt met de effectieve nuttige warmte. Naargelang de merken kunnen die waarden nog wat verschillen:

    Toestel-typeVerbrandingsrendementNuttig rendement
    Open haard15 %15 %
    Klassieke houtkachel45 %45 %
    Inbouwhaard op hout60 %60 %
    Inzethaard op hout65 %65 %
    Klassieke CV-ketel75 %49 %
    Moderne metalen houtkachel75 %75 %
    Moderne kolenkachel80 %80 %
    Moderne gaskachel85 %85 %
    Hoogrendements CV-ketel90 %72 %
    Warmte-accumulerende tegelhoutkachel90 %90 %
    Warmte-accumulerende speksteen houtkachel90 %90 %

    De nuttige warmte van een moderne CV-ketel ligt dus beduidend lager dan bij een moderne metalen houtkachel en nog heel wat lager dan bij een warmte-accumulerende speksteen houtkachel.


    RENDEMENT

    Wat is het verbrandingrendement? Het verbrandingsrendement van een verwarmingstoestel is de vergelijking tussen de hoeveelheid warmte in de brandstof en de hoeveelheid warmte die voortgebracht wordt door het verwarmingstoestel zelf. Hierbij moeten er drie zaken in acht genomen worden die voor verlies van warmte zorgen:
  • deeltjes die niet volledig verbrand zijn en in de as achterblijven.
  • deeltjes die niet volledig verbrand zijn en die met de rookgassen via de schoorsteen ontsnappen.
  • Warmte van de rookgassen die via de schoorsteen verdwijnt. Aangezien de meeste brandstoffen op een natuurlijke manier gewonnen wordt, is het van essentieel belang voor het milieu om te weten hoeveel rendement er effectief in nuttige warmte Meer olie transporteren betekent bijvoorbeeld meer olievervuiling in zee. Meer hout gebruiken betekent minder afvalhout in de bossen waardoor heel wat levende wezens hun natuurlijke heimat verliezen. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van toch wel negatieve gevolgen voor ons milieu. Vandaar dat men dus verbrandingstoestellen nastreeft die een zo hoog mogelijk verbrandingsrendement opleveren en daarbovenop nog eens zuinig zijn in het verbruik van brandstof.

    Technologie voor een hoger verbrandingsrendement Warmte-accumulatie is de oplossing voor een hoger verbrandingsrendement door de warmte zo lang mogelijk vast te houden vooraleer ze ontsnapt door de schoorsteen. Meer hierover in het deel warmte-accumulatie. De verbranding zelf is uiteraard ook belangrijk. Om een zo volledig mogelijke verbranding te bekomen, verwijzen we naar het hoofdstuk rookgaskwaliteit.

    Het verbrandingsrendement van verwarmingstoestellen
    (verschillen tussen merken mogelijk)

    ToesteltypeGemiddeld Verbrandingsrendement
    Open haard15 %
    Klassieke houtkachel45 %
    Inbouwhaard op hout60 %
    Inzethaard op hout65 %
    Klassieke CV-ketel op gas75 %
    Moderne metalen houtkachel75 %
    Moderne kolenkachel80 %
    Moderne gaskachel85 %
    Hoogrendements CV-ketel op gas90 %
    Warmte-accumulerende tegelhoutkachel90 %
    Warmte-accumulerende speksteen houtkachel90 %


    Warmte-accumulerende houtkachels verliezen een rendement van 8,5 % aan warmte die door de schoorsteen verdwijnt. Dit percentage kan niet echt meer dalen omdat de rookgassnelheid te traag zou worden waardoor er rookinslag kan optreden. Door dit percentage zo te houden, voorkomt men ook condensatie in de schoorsteen. Daarnaast gaat nog eens 0,75 % warmte verloren door niet volledig verbrande deeltjes in de rookgassen en ook ongeveer 0,75 % door niet volledig verbrande deeltjes die in de as achterblijven. De conclusie is dat warmte-accumulerende houtkachels het hoogste rendement tonen, op gelijke hoogte met de hoogrendements cv-ketel op aardgas. Het verbrandingsrendement is hierbij wel nog niet hetzelfde als de nuttige warmte. Als we deze beide aspecten in rekening brengen, vormt een warmte-accumulerende houtkachel de beste optie.


    VERWARMEN MET SFEER

    De kwaliteit van het leven
    Sfeer is van essentieel belang om van een huis een thuis te maken. We brengen namelijk vele uren in ons huis door. Er moet gezelligheid heersen, want zo kunnen we ons pas echt ontspannen. Een plaats waar we tot rust kunnen komen, leidt tot positieve gedachten en draagt bij tot een kwalitatief leven. We mogen sfeer eigenlijk wel als één van de primaire behoeften beschouwen naast voedsel en kledij, al ga je niet sterven van een gebrek aan sfeer.

    De magie van het vuur
    Dansende vlammen kunnen een enorme sfeer creëren in onze huiskamer. Vooral tijdens de donkere, koude wintermaanden kunnen ze een positieve wending geven aan onze gemoedsinstelling. De geur van gekapt hout, het knetteren van houtblokken, gloeiende houtskolen, vlammen die spelen rond brandende houtblokken die traag vergaan,... Je krijgt meteen een warm gevoel van binnen. Een haardvuur is romantiek ten top.

    Stralingswarmte
    Warmte is een essentieel onderdeel van sfeerwarmte en dan vooral stralingswarmte. Er bestaat zelfs stralingswarmtetherapie die het bloed sneller doet stromen en een gezonde blos op de wangen doet verschijnen. Zonder warmte is er misschien wel sfeer, maar voor een extra dimensie is warmte nodig. Een vuur zonder warmte is niet echt en sfeerwarmte is bovendien enorm energieverspillend als er geen warmte mee gemoeid is.

    Sfeerwarmte of verwarmen met sfeer
    Toestellen die alleen voor sfeer zorgen door een interessant vlammenspel, maar geen warmte afgeven komen praktisch niet meer voor. Kapitalistisch gezien is dit in onze tijd gewoon niet meer aangewezen. Geld gooi je zomaar niet over de toonbank. Daarenboven zijn de energiebronnen ook schaars aan het worden en is de aantasting van het milieu te groot om kwistig om te springen met energiebronnen. Sfeerwarmte moet in de eerste plaats verwarmen zijn met bijvoorbeeld vlammen die voor sfeer kunnen zorgen en niet omgekeerd. Tegenwoordig zijn er al heel wat toestellen van grote merken op de markt die in sfeer en de nodige warmte voorzien. Dit zijn dan toestellen die ongeveer evenveel energie opleveren per molecule brandstof, dan de toestellen die enkel warmte produceren. Het is sowieso een win-win-situatie, want je krijgt de nodige warmte en sfeer erbovenop. Deze toestellen hebben een verbrandingsrendement van 75 tot 95 %. De nuttige warmte is hieraan evenredig omdat het toestel staat opgesteld waar de meeste huisgenoten aanwezig zijn. Als dit nog eens energiezuinige stralingswarmte is en er een gezonde isolatie en ventilatie heerst, zitten we helemaal goed. Dit optimale resultaat wordt verkregen met warmteaccumulatie en het materiaal dat zich daar het best toe leent, is speksteen.


    VERWARMINGSKOSTEN

    Globale kosten
    Bij de aankoop van een verwarmingstoestel moet men de afschrijving van de aankoop- en installatiekosten incalculeren, naast de latere verbruiks- en onderhoudskosten. U kunt ook nog rekening houden met de duurzaamheid van het toestel en met de kosten van eventuele isolatie.

    Aankoopkosten
    In eerste instantie gaat de consument zich het meest focussen op de aankoopkosten. Dit gebeurt omdat de aankoopsom bij de definitieve aankoop beschikbaar moet zijn. Toch is het belangrijk dat men al even stilstaat bij het feit dat de andere kosten tot meer dan 50 % van het totaal kunnen oplopen. Als je krap bij kas zit, kun je opteren voor een goedkoop toestel, maar dan moet je wel weten dat het verbrandingsrendement laag zal zijn, net als de nuttige warmte. Daarenboven zal het toestel een beperkte duurzaamheid kennen waardoor het verwarmingstoestel snel zal afgeschreven worden. Als je de aankoopkosten gaat vergelijken met alle andere toestellen die u in uw huis gaat opnemen, is er weinig verschil. Er is wel een merkelijk verschil als u bijvoorbeeld al centrale verwarming hebt en u een extra sfeerverwarmingstoestel wil installeren. Dan is er een groot verschil in de aankoopprijs afhankelijk van uw keuze. Kiest u voor eenvoudige metalen kachels of voor een modernere versie en plaatst u daarbij een sierschouw of een accumulerende houtkachel? Het verschil is groot. Metalen kachels of centrale verwarming wordt gewoonlijk afgeschreven op 10 jaar omdat er dan slijtage aan bepaalde onderdelen begint op te treden en dat extra kosten met zich meebrengt. Ook de behandeling en de zorg voor het toestel bepalen de afschrijvingstermijn. Speksteenkachels kunnen - op voorwaarde dat ze goed onderhouden worden - wel 100 jaar meegaan. Speksteen is namelijk een heel duurzaam materiaal waardoor de afschrijvingstermijn weer aanzienlijk langer wordt. Tegelkachels zijn niet zo'n lang leven beschoren als speksteenkachels.

    Installatiekosten
    Voor verwarmingstoestellen die ter plekke moeten opgebouwd worden, is het belangrijk dat de installatiekosten ingecalculeerd worden. Een speksteenkachel installeren neemt al snel 1 à 2 dagen in beslag. Een tegelkachel plaatsen, kan oplopen tot 3 dagen. Bij metalen kachels daarentegen zijn die kosten quasi nihil omdat ze direct geplaatst kunnen worden.

    Verbruikskosten
    Om deze kosten te berekenen, moeten we eerst de aankoopprijs van de brandstof kennen. Deze moet dan gecombineerd worden met de calorische waarde van de brandstof of het aantal KW dat 1 Kg of m3 brandstof oplevert. Enkel voor energie afkomstig uit elektriciteit kunnen we dit niet berekenen omdat elektriciteit geen brandstof is. Hier weten we onmiddellijk de prijs in KW. De gemiddelde kost per kWh van diverse energiebronnen over de periode 1997-1999 zag er als volgt uit:


    ToesteltypeNuttig rendement€/KW
    Open haard+/- 15 %+/- 0,1438
    Klassieke houtkachel+/- 45 %+/- 0,0478
    Inbouwhaard op hout/- 60 %+/- 0,0359
    Inzethaard op hout+/- 65 %+/- 0,0329
    Klassieke CV-ketel op aardgas+/- 49 %+/- 0,0734
    Klassieke CV-ketel op stookolie+/- 48 %+/- 0,0578
    Moderne metalen houtkachel+/- 75 %+/- 0,0288
    Moderne kolenkachel+/- 80 %+/- 0,0372
    Moderne gaskachel+/- 85 %+/- 0,0421
    Hoog-rendements CV-ketel op aardgas+/- 72 %+/- 0,0498
    Elektrische verwarming (nachttarief)100 %+/- 0,067
    Elektrische verwarming (dagtarief)100 %+/- 0,1314
    Warmte-accumulerende tegelhoutkachel+/- 90 %+/- 0,0240
    Warmte-accumulerende speksteen houtkachel+/- 90 %+/- 0,0240

    Brandhout hanteert een flexibelere berekening van de verbruikskosten omdat je zelf hout kan zagen en dan kost de aanschaf van hout je helemaal niets. De kost van de KW is echter niet voldoende om de verbruikskosten te kennen. We moeten ook weten in welke mate en hoeveel ons verwarmingstoestel van die grondstof gaat opnemen. Dit wordt bepaald door het verbrandingsrendement en eigenlijk nog meer door het nuttige rendement. Hieronder vindt u een overzicht van de gemiddelde verbruikskosten van verschillende verwarmingstoestellen rekening houdend met het nuttige rendement:

    Gemiddelde verwarmingskosten bij diverse verwarmingstoestellen.
    Hout als verwarmingsbron is dus duidelijk veel zuiniger dan verwarmen met elektriciteit. Over een jaar gespreid kan dit een aanzienlijk verschil maken in de verbruikskosten. De goedkoopste energiebron in combinatie met het nuttigste warmterendement levert de warmte-accumulerende houtkachels op als verwarmingstoestel op. Al zijn ze relatief duur in aankoop. Over een aantal jaren gespreid, kunnen we heel wat geld besparen. Dan is er nog geen rekening gehouden met de warmtewinst door energiebesparende stralingswarmte. Moderne metalen houtkachels scoren ook goed en zijn wel wat goedkoper. U kiest best niet voor open haarden en elektrische verwarmingstoestellen. De eerste keuze is enorm duur, zeker als men hier ook nog eens een sierschouw bij installeert en de tweede keuze is goedkoop in aankoop, maar op lange termijn heel duur in verbruik.

    Onderhoudskosten
    Voor het onderhoud van centrale verwarmingssystemen moet men jaarlijks een bedrag van 50 tot 150 euro in acht nemen. Vergelijkbaar is de prijs voor het reinigen van schoorstenen bij kachels en haarden. Bij toestellen die echt goed werken; daarmee bedoelen we een goede verbranding geven moeten eigenlijk niet jaarlijks gereinigd worden. Bekijk wel eens de brandverzekering, want die eisen soms wel de nodige bewijzen.


    WARMTE-ACCUMULATIE Wat is warmte-accumulatie? "Het opslaan van warmte-energie meestal onder de vorm van water of één of andere vaste stof". Dit is een korte beschrijving van warmte-accumulatie, maar eigenlijk is het veel meer dan dat, want we kunnen heel wat argumenten aanhalen om warmte op te slaan:
  • Je bespaart energie omdat de warmte langer blijft hangen in de woning. Er kunnen ook speciale attributen ingeschakeld worden om nog meer aan warmte-accumulatie te kunnen doen en dan vooral rond het verwarmingstoestel en de eventuele afvoer van rookgassen.
  • Financieel besparen, kunt u vooral met elektrische warmte-accumulatie (zie verder). Vooral in landen waar nachttarief van kracht is.
  • Warmte-accumulatie rond de warmtebron geeft een betere rookgaskwaliteit en een hoger verbrandingsrendement door de hogere verbrandingstemperaturen die hierdoor ontstaan.
  • Door warmte-accumulatie kun je zelf beslissen wanneer je het tijd acht om een vuur aan te maken omdat je een warmte-reserve kan opslaan.
  • Zowel in accumulerende hout- als gaskachels kan men de energie die vrijkomt bij grote vlammen opslaan voor later gebruik.
  • Door warmte-accumulatie is er steeds warmte voorhanden alhoewel dit niet echt nodig is wanneer met een zachte stralingswarmte wil krijgen.

    De culturele ervaring van koudere landen
    Warmte-accumulatie heeft steeds het meest voorgekomen in de koude landen. Sedert de opkomst van de convectiewarmte is de warmte-accumulatie in veel landen verdwenen, uitgenomen in de koudere gebieden zoals de Scandinavische landen en het Alpengebied. Vooral Oostenrijk en Finland springen er uit en dan vooral buiten de steden waar men gemakkelijk aan brandhout kan geraken en voorraden aanleggen Warmte-accumulatie is het summum van alle verwarmingstechnieken en het is dan ook niet verwonderlijk dat het blijven bestaan is in de gebieden waar er een grote nood is aan extra warmte. Nu het milieu en energiebesparing meer en meer op de voorgrond treedt, wordt ook weer meer belang gehecht aan warmte-accumulatie. Soms wordt wel eens gezegd dat warmte-accumulatie niet echt voordeel kan bieden in onze streken of in gebieden met een gematigd klimaat. Dit klopt voor een deel en dan vooral bij verouderde verwarmingstoestellen die een lange tijd nodig hebben om op te warmen. In dit geval is het moeilijk om snel te reageren op sterk veranderende buitentemperaturen. Recentere warmte-accumulatie gebruikt materialen met een hoge warmtegeleidingscoëfficient waardoor toestellen heel snel opwarmen. Het sterkste materiaal hierbij is speksteen met een warmtegeleidbaarheid van 6,4 W/mK. Tegenwoordig zijn er ook wel al kleistenen voorhanden die de warmtegeleidbaarheid van speksteen benaderen, maar dan wel een stuk duurder zijn dan speksteen.

    Warmte-accumulerende houtkachels
    Warmte-accumulerende houtkachels zijn niet alleen uitgerust met een kanalensysteem die de maximale warmte uit de rookgassen opneemt, maar het binnenmateriaal kan ook een immens grote hoeveelheid warmte opslaan. Deze kachels hebben een slaagkans van 90 tot 95 % warmte-accumulatie. Deze kachels kunnen warmte opslaan voor minstens 24 uur zodat men maar één keer per dag moet stoken. Voor deze kachels is het ook frappant dat ze voornamelijk stralingswarmte voortbrengen. Accumulerende houtkachels die gemaakt zijn, noemen we tegelkachels. Ze worden dan ook meestal afgewerkt met keramiektegels. Kleisteen kan echter niet zoveel warmte opnemen en doet dit ook merkelijk trager. De volgende karakteristieken behoren dan ook een tegelkachel toe: ze moeten groot zijn en vragen een lange installatietijd. Hierdoor zijn ze in België en Nederland nooit echt succesvol geworden. In Oostenrijk worden ze beschouwd als een traditie en zijn er dan ook nog heel populair en een belangrijk afzetproduct. In Duitsland en Zwitserland vinden we ze ook nog, maar hebben ze geen accumulerende functie meer. De zogenaamde "Warmluftheizofen" produceren voornamelijk convectiewarmte en slaan geen warmte op omdat dit sneller gaat. Bij accumulerende houtkachels uit speksteen gaan de rookgassen eerst stijgen en daarna dalen wat kortweg het tegenstroomprincipe wordt genoemd. Deze kachels zijn veel kleiner, warmen veel sneller op dan de tegelkachels en kunnen relatief snel opgebouwd worden omdat ze bestaan uit verschillende modules. In de meeste gevallen zijn ze nog warm als er de vorige dag in gestookt werd en zijn ze in minder dan een half uur volledig opgewarmd ook al hebben ze niet gebrand de dag voordien. Kachels met speksteen kunnen warmte opslaan voor 2 tot 8 uur. Deze kachels worden ook wel eens nastralers genoemd, maar zijn eigenlijk geen echte accumulerende houtkachels. Ze bevatten ongeveer 150 tot 300 Kg speksteen.

    Warmte-accumulerende gaskachels
    Momenteel zijn dit soort kachels sterk aan het evolueren. De aanvoer en verbranding van gas gebeurt volledig automatisch waardoor we eigenlijk kunnen stellen dat de warmte-accumulatie niet dient om het de consument gemakkelijker te maken. Deze toestellen zijn sfeerbranders en produceren gele vlammen zonder al te veel essentieel warmteverlies. Bij andere toestellen gaat er bij een even groot vlammenspel immers heel wat warmte verloren langs de schoorsteen. Dit is dan weer niet zo bij accumulerende gasbranders die een groot deel van de warmte opslaan en later vrijgeven als zachte, gezonde en energiebesparende stralingswarmte wat een extra voordeel geeft aan deze toestellen.

    Elektrische warmte-accumulatie
    In vele landen is elektriciteit 's nachts goedkoper dan overdag en in België kent men zelfs nog een verschil tussen piekuren en de rest van de dag. Hierdoor gaat men bij warmte-accumulatie elektriciteit opslaan wanneer die het goedkoopst is voor later verbruik. Die warmte wordt dan meestal vrijgegeven als convectiewarmte en maakt daarbij gebruik van speksteen. Deze speksteen is dan niet zichtbaar, maar er zijn wel al toestellen die zichtbare speksteen gebruiken, maar die geven dan enkel stralingswarmte af.

    Zonnewarmteaccumulatie
    De rechtstreekse accumulatie van zonnewarmte gebeurt meestal in water.


    ENERGIE ZUINIGE STOOKTIPS Energiezuinige stooktips
    Om zo weinig mogelijk energie te gebruiken voor een optimale verwarming, verwijzen we naar de milieubewuste stooktips in het onderdeel milieu. Bij energiebesparing moeten we wel ook nog rekening houden met de brandhoutkwaliteit bij houtbranders. Een goede isolatie van de woning is hierbij evenzeer essentieel en wanneer een toestel meer dan 10 jaar oud is, wordt dit best vervangen door een nieuw toestel met een hoger verbrandingsrendement. Accumulerende houtkachels zijn hier dan het meest aangewezen en voorzien bovendien in een energiezuinige stralingswarmte.


    ENERGIE ZUINIGE STRALINGSWARMTE

    Hang je zetel aan het plafond
    Dit is infeite de enige manier om echt van de geproduceerde warmte van de meeste verwarmingstoestellen te genieten. De warmte stijgt immers en dat hadden de broers Montgolfier ook ontdekt toen ze voor de geboorte zorgden van de heteluchtballon. Bij convectie- of luchtwarmte stagneert de kamerluchttemperatuur op 19 tot 25°C op ongeveer een hoogte van 1,3 m. Deze temperatuur is wel sterk afhankelijk van de temperatuur buiten en de mate waarin de muren die temperatuur naar binnen stralen. Het verschil tussen de vloertemperatuur en de temperatuur aan het plafond kan al snel 10 graden schelen. De lichamelijke gevolgen hiervan zijn koude voeten, maar een warm hoofd. Er zijn ook nog andere gevolgen zoals een enorme energiewinst voor stralingswarmte. Bij een horizontale stralingswarmte zorgt niet alleen de warmtebron voor voldoende warmteoverdracht, maar worden ook de wanden van de woning voldoende mee opgewarmd. De luchttemperatuur hoeft dan maar 16 tot 18°C te bedragen. Toch wordt er energiewinst gemaakt, maar hoeveel kan niet echt berekend worden omdat de hoogte van het plafond ook een rol speelt. Hoe hoger het plafond, hoe beter de stralingswarmte tot zijn recht komt.

    Je woonkamer een sauna
    Om alle huisbewoners tevreden te stellen, kun je het best de woonkamer indelen met verschillende hoogtes zoals in een sauna. Zo kunnen alle huisgenoten een individuele temperatuurkeuze maken. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat de ideale temperatuur voor iedereen verschillend is afhankelijk van het feit of je klein of groot, dik of dun,.. bent. Het gevolg hiervan is dat er voor de ene teveel gestookt wordt en voor de andere te weinig. Bij luchtverwarming toont de thermostaat de temperatuur aan op hoogte van de plaats waar de thermostaat hangt waardoor de illusie ontstaat dat de kamer de ideale temperatuur heeft. Die ideale temperatuur bestaat dan ook niet gezien iedereen een andere voorkeur heeft. De beste woonkamerinrichting voor luchtwarmte is dus deze van een sauna. Zo vindt iedereen wel een plaats die hij of zij bevalt met andere woorden dichter of verder van de warmtebron. De sterkte van de straling neemt immers af indien men verder verwijderd is van de stralingsbron. De energiewinst is hier opnieuw moeilijk te berekenen, maar dit kan een merkelijk verschil zijn.

    Luchtverversing = warmteverspilling
    Wat luchtverwarming betreft, blijft het een eeuwige tweestrijd. Enerzijds willen we zo weinig mogelijk warme lucht kwijtspelen, maar anderzijds is het essentieel dat de lucht voldoende ververst wordt. De functie van lucht als energiedrager valt dus niet te combineren met de functie van lucht als zuurstofvoorziener. Toch betekent stralingswarmte hier opnieuw pure energiewinst. De muren slaan de meeste warmte op waardoor er slechts een klein deel in de kamerlucht wordt opgenomen. Zelfs bij normaal geïsoleerde muren is het energieverlies slechts een fractie van de energie die verloren gaat wanneer die opgenomen wordt in de kamerlucht bij een ventilatie van één maal per uur. Deze constatatie is van enorm belang omdat het verlies van warmte door de muren nog meer kan ingedijkt worden door een nog betere wandisolatie. Tegenwoordig is het al praktisch mogelijk dat er slechts ¼ van de opgeslagen warmte verloren gaat van een volledige dag. Dit kan niet alleen ecologisch maar ook financieel een enorme besparing betekenen en de gezondheid wordt niet in gevaar gebracht. Het is ook aangeraden om er op te letten dat de muren droog zijn, want als er meer warmte opgeslagen wordt, zou dit meer warmteverlies impliceren, maar droge en warme muren isoleren veel beter en leveren dan ook minder warmteverlies op. Nieuwe berekeningswijze voor verwarmingstoestellen?
    Het is nu ondertussen waarschijnlijk al duidelijk geworden dat men als het op energie besparen aankomt, men het best een andere richting inslaat. Isolatie is belangrijk, maar men kan pas echt voordelen bekomen met het inzetten van stralingswarmte. Dit levert bovendien ook een positief effect op voor de gezondheid. Het voorgaande heeft ook duidelijk gemaakt dat er een nieuwe berekeningswijze moet komen voor verwarmingstoestellen. Hierbij moet de nadruk gelegd worden op de verwarmingscapaciteit en het verbrandingsrendement zonder dat je met je zetel aan het plafond moet gaan hangen of je individuele temperatuurkeuze niet mag maken. Deze nieuwe berekeningsmethode moet ook kunnen vaststellen hoeveel de warmte bedraagt wanneer er een continue ventilatie in de woning is. Men mag ook best wel eens denken aan de promotie van toestellen die stralingswarmte produceren waarbij tevens de voordelen van stralingswarmte uit de doeken worden gedaan. Een beetje steun van de overheid zou hier niet bij misstaan.

  •  
    © 2017 Stoveman
    Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.